Traptermen

Traptermen Woordenboek:

In de onderstaande lijst kunt u diverse termen vinden die regelmatig worden gebruikt in de 'trappenmakerij':

Aantrede:
Horizontale afstand tussen de twee opeenvolgende 'neuzen' van treden.

Bloktrede:
Eerste trede die groter is dan de andere treden.

Baluster:
Verticale stijlen tussen de trapboom en de handgreep, samen maken ze deel uit van de balustrade.

Doorschietende treden:
Deze treden liggen óp de trapbomen in plaats van ertussen, hier spreekt men ook wel over "trap op keepbomen".

Doorloophoogte:
De hoogte tussen de plaats waar de verdieping eindigt(opening) en de trede loodrecht eronder. Deze afmeting laat zien of men al dan niet het hoofd stoot bij het gebruik van de trap.

Hoofdspil:
Paal waar de meeste treden van de trap invallen en waar de trap vaak op rust.

Hulpspil:
Kleinere paal aan het begin of einde van de trap waar het aansluitende hekwerk aan bevestigd kan worden, word ook "hoofdbalulster"genoemd.

Lepe hoek:
Een trapboom die dusdanig voor een hoek (45 gr.) blijft zodat men hierachter eventueel leidingwerk kan laten lopen.

Optrede:
Verticale afstand tussen twee opeenvolgende treden.

Bordes:
Horizontaal loopvlak waardoor de trap wordt onderbroken. Een bordes wordt meestal geplaatst waar de trap van richting veranderd. Bij een hele lange trap wordt een bordes voorzien om even uit te rusten. Een ander woord voor bordes is palier.

Stijgingshoek:
Het aantal graden waarmee de trap stijgt. Bij een goed te belopen trap is de stijgingshoek maximaal 45°. Des te kleiner de stijgingshoek, des te gemakkelijker is de trap te belopen.

Tegentrede of stootbord:
Verticale verbinding tussen twee opeenvolgende treden. Door middel van tegentreden worden de openingen tussen de treden dicht gemaakt en krijgt men een gesloten trap. Bij een trap zonder tegentreden noemt men een open trap.

Trapbomen:
De hellende delen van de trap, die de treden dragen. De trapboom kan zowel centraal geplaatst worden (Keepboom) als aan de buitenzijden.

Trapneus:
Oppervlakte vooraan de trede die in bovenaanzicht overlapt,wordt ook vaak "Wel"genoemd.

Trede:
Horizontaal bovenvlak waar men de voet plaatst om de trap te belopen. Een trede kan recht of verdreven zijn. Een rechte trede is rechthoekig. Een verdreven trede heeft een smalle en een bredere kant. Deze treden maken het mogelijk een trap te laten draaien en/of de trap gemakkelijker te belopen.

Val:
De totale horizontale lengte die kan worden benut.

Welstuk:
De laatste trede van de trap, die op dezelfde hoogte ligt als de verdieping. In een gedeelte van deze trede kan een inkeping worden gemaakt, zodat de bevloering daarin kan rusten.

Wrongstuk:
Het gedeelte van de trapboom en/of balustrade die gebogen wordt op het punt waar de trap van richting verandert. Een wrongstuk vervangt de hoofdbaluster, het vervaardigen van een wrongstuk is een zeer specialistisch werk.